Als iemand hardop ‘vijf jaar’ zegt, klinkt het bijna onbeduidend, als een klein hoofdstukje dat je zo omslaat. Maar wanneer die vijf jaar niet worden gemeten in kalenders, maar in ziekenhuisgangen, receptenschema’s en de muffe geur van ontsmettingsmiddel die maar niet uit je kleren verdwijnt, dan verstrijkt de tijd niet normaal. Hij stolt. Hij drukt tegen je borst. Het wordt iets wat je met je meedraagt in plaats van iets wat je beleeft.
Mijn naam is Marianne Cortez en ik ben tweeëndertig jaar oud. Als ik nu in de spiegel kijk, herken ik de vrouw die me aankijkt niet meer. Haar schouders hangen naar voren alsof ze zich schrap zet voor een klap. Haar ogen zijn omringd door schaduwen die de slaap al jaren niet heeft kunnen wegnemen. Haar handen vertellen het verhaal duidelijker dan haar gezicht, dat ruw is geworden door eindeloos wassen, door het tillen van gewichten die ze nooit alleen had moeten dragen, door het vastgrijpen van de leuningen van rolstoelen en de randen van ziekenhuisbedden.